INFORMATION PROBLEM SOLVING JOSIEN BOETJE
Zeven ontwerpprincipes
Het veld van informatievaardigheden is voortdurend in beweging. De noodzaak om studenten te leren hoe zij informatie kritisch kunnen benaderen, synthetiseren en ethisch gebruiken is in dit AI-tijdperk urgenter dan ooit. Zeven principes, gebaseerd op een analyse van 69 empirische studies, bieden informatieprofessionals concrete en evidence-informed handvatten om de ontwikkeling van informatievaardigheden bij studenten naar een hoger plan te tillen.
Josien Boetje
Promovendus Digitale Informatievaardigheden & AI en lerarenopleider Digitale Geletterdheid aan de Hogeschool Utrecht en Open Universiteit
Afbeelding 2: het Information Problem Solving Educational Design Principles (IPS-EDP)-model
Afbeelding 1: de deelcompetenties van het informatievaardighedenproces (Boetje, 2025)
Juist in een tijdperk waarin de informatiestroom exponentieel groeit en AI nieuwe uitdagingen biedt, is een doordachte aanpak cruciaal
Idealiter worden alle zeven principes van het IPS-EDP-model geïntegreerd, omdat ze synergistisch werken
Een los lesje, waarin een informatiespecialist eenmalig langskomt, is een mooi begin, maar onvoldoende om vaardigheden in te slijpen
De huidige onderwijspraktijk laat vaak te wensen over: integratie van informatievaardigheden is veelal beperkt of slecht geïmplementeerd
Onderzoek wijst consistent uit dat veel digital natives moeite hebben met effectief zoeken en kritisch evalueren van informatie
Studenten moeten niet alleen leren hoe ze AI effectief kunnen inzetten, maar ook hoe ze AI-gegenereerde output kritisch beoordelen
In onze huidige samenleving is het vermogen om effectief en efficiënt digitale informatie te verzamelen, evalueren, verwerken, synthetiseren en delen een absolute kerncompetentie. Studenten in het hoger onderwijs worden voortdurend geacht zelfstandig kennis te construeren, waarbij het internet als een van de primaire informatiebronnen dient voor essays, onderzoek en andere academische taken. De recente opkomst van generatieve AI-tools zoals ChatGPT, Gemini en Claude heeft de noodzaak voor robuuste informatievaardigheden, ook wel Information Problem Solving (IPS) genoemd, verder versterkt. Studenten moeten niet alleen leren hoe ze deze AI-hulpmiddelen effectief kunnen inzetten (bijvoorbeeld door het formuleren van scherpe prompts), maar ook hoe ze de AI-gegenereerde output kritisch beoordelen, verifiëren en op een verantwoorde manier integreren in hun eigen werk.
De uitdaging ligt erin dat studenten de gevonden informatie niet klakkeloos overnemen, maar deze verifiëren en daadwerkelijk integreren tot een eigen, nieuw product. Pas dan vindt echte kennisconstructie plaats. Dit vraagt om meer dan basale zoekvaardigheden; het vereist een complexe set van competenties. Hoe geef je nu écht goed les in deze vaardigheden binnen het hoger onderwijs? En wat zegt de wetenschap over effectieve aanpakken?
69 EMPIRISCHE STUDIES
Onze grootschalige systematische review en meta-analyse vanuit de Hogeschool Utrecht en Open Universiteit biedt nieuwe antwoorden. In de studie Design principles for developing information problem solving competence in higher education: A systematic review and meta-analysis werden maar liefst 69 empirische studies (gepubliceerd tussen 2000-2023) met een voor- en nameting en controlegroep geanalyseerd. Het resultaat? Zeven concrete ‘Ontwerpprincipes’ – ontwerpprincipes – die bewezen effectief zijn.
Dit artikel vertaalt deze wetenschappelijke inzichten naar de dagelijkse praktijk van de informatieprofessional in het hoger onderwijs. Hoe kun je deze principes gebruiken om jouw trainingen, workshops en begeleiding nog krachtiger te maken in dit snel veranderende informatielandschap?
EERST DE BASIS
Voordat we de principes induiken is het goed om stil te staan bij wat informatievaardigheden precies inhouden. Voor digitale informatievaardigheden zijn diverse definities in omloop (Vuorikari et al., 2022; Brand-Gruwel et al., 2009; SLO, 2022). In deze definities worden digitale informatievaardigheden beschouwd als een set complexe deelcompetenties die onderling verbonden zijn binnen een zich herhalend proces. In afbeelding 1 zie je hoe de verschillende radars de deelcompetenties symboliseren, met als centrale radar de regulatie van het informatievaardighedenproces (Boetje, 2025). Veelgenoemde deelcompetenties van dit proces zijn:
> De informatievraag verhelderen
> Een zoekstrategie bepalen en uitvoeren
> De informatie op basis van bruikbaarheid, relevantie en betrouwbaarheid selecteren en evalueren
> De informatie diepgaand verwerken
> Informatie uit meerdere bronnen synthetiseren
> De informatie synthetiseren en organiseren om een samenhangend antwoord of product te presenteren
COMPLEXE COMPETENTIE
IPS is een complexe competentie die de integratie en coördinatie van kennis, vaardigheden én attitudes vereist. Ondanks de populaire opvatting dat studenten als digital natives van nature vaardig zijn met internet, wijst onderzoek consistent uit dat velen moeite hebben met effectief zoeken, kritisch evalueren en diepgaand verwerken van informatie. De huidige onderwijspraktijk laat bovendien vaak te wensen over: integratie van informatievaardigheden is veelal beperkt, slecht geïmplementeerd, of men gaat er ten onrechte vanuit dat studenten deze vaardigheden vanzelf wel oppikken. Expliciete instructie en doordacht ontworpen leeromgevingen zijn dus noodzakelijk.
Dit brengt ons bij de vraag: hoe kunnen we digitale informatievaardigheden het meest effectief onderwijzen? (In het vervolg van dit stuk in de volgende editie van IP lees je over een aantal didactische principes gericht op het effectief aanleren van digitale informatievaardigheden.)
DE ZEVEN ONTWERPPRINCIPES UITGELICHT
1. De Leertaak – ga voor authenticiteit!
Ontwerpprincipe 1: zorg ervoor dat de leertaak (a) door studenten als relevant wordt ervaren (persoonlijk, academisch of professioneel), (b) integratie van vaardigheden, kennis en attitudes vereist, en (c) authentieke praktijkscenario’s uit het echte leven bevat om de informatievaardigheden van studenten te verbeteren.
Dit eerste principe vormt de kern van een effectieve leeromgeving. Een effectieve leertaak is er een die studenten als relevant ervaren, of dit nu persoonlijk, academisch of professioneel is. Het moet hen uitdagen om vaardigheden, kennis en attitudes te integreren en moet idealiter een authentiek, levensecht scenario nabootsen. Uit twintig studies die taakrelevantie onderzochten bleek dat dit de IPS-competentie significant kan verbeteren, vaak met middelgrote tot grote effectgroottes. Hoewel de kracht van authentieke, relevante taken duidelijk is, onderzochten veel studies de leertaak samen met andere variabelen, wat het lastig maakt het onafhankelijke effect te isoleren. Ook is er vooral gekeken naar kortetermijneffecten.
Praktische toepassing
Weg met losse ‘zoek dit op’-opdrachten! Integreer informatievaardigheden in realistische (onderzoeks)projecten. Bij de lerarenopleiding maken studenten een educatieve website over een zelfgekozen onderwerp. Ze zoeken informatie, verwerken deze en creëren een product dat ze direct in hun toekomstige werk kunnen gebruiken. Zo’n hele taak, die het complete IPS-proces doorloopt, is motiverender en effectiever. Een bijkomend voordeel: door zelf iets te maken, zoals een website, worden studenten kritischer op bronnen. Ze ervaren hoe makkelijk het is om selectief te ‘shoppen’ (cherrypicking) en een bepaald punt te maken, waardoor ze ook kritischer worden als consument van informatie.
2. Instructie – meer dan een eenmalig lesje
Ontwerpprincipe 2: neem meerdere informatievaardigheden-instructiesessies in het curriculum op en bed deze in in de inhoud van de betreffende discipline om de informatievaardigheden van studenten te verbeteren.
Een los lesje, waarin een informatiespecialist eenmalig langskomt, is een mooi begin, maar onvoldoende om deze complexe vaardigheden in te slijpen. Meer dan twee derde van de geanalyseerde studies (49) noemt instructie als sleutelelement. Cruciaal zijn meerdere instructiesessies, ingebed in de context van het vakgebied (domeinspecifiek). Een meta-analyse van drie studies (812 deelnemers) onderstreepte dit: meerdere instructiesessies hadden een groot positief effect vergeleken met eenmalige sessies (Hedges’s g = 0.86). Het verbinden van academische inhoud aan praktische toepassingen binnen het domein verhoogt motivatie, diepgang en transfer.
Wel is het zo dat positieve effecten op IPS-prestaties niet altijd beklijfden op een uitgestelde post-test, wat het belang van continue aandacht benadrukt.
Praktische toepassing
Plan informatievaardigheidstraining als een doorlopende leerlijn, geïntegreerd in verschillende vakken. Bij verpleegkunde bijvoorbeeld kan dit worden gekoppeld aan evidence-based medicine. Bij talen kun je denken aan het strategisch gebruik van vertaalmachines. Een korte oefening van een kwartier over hoe je in het Spaans het woord ‘glas’ opzoekt, leert studenten dat ‘vidrio’ (het materiaal glas), ‘vaso’ (een drinkglas) en ‘copa’ (een wijnglas) verschillende betekenissen hebben. Dit legt al een basis voor informatievaardigheden, gekoppeld aan het vak.
3. Actief leren – zelf aan de slag
Ontwerpprincipe 3: zorg ervoor dat leeractiviteiten de studenten actief betrekken om de informatievaardigheden van studenten te verbeteren.
Passief consumeren is uit den boze als het om informatievaardigheden gaat. Bijna de helft van de studies (34) gebruikte een vorm van actief leren. De gedachte hierachter, vaak geworteld in sociaal constructivisme en studentgecentreerd leren, is dat actieve kennisconstructie leidt tot diepere internalisatie. Vooral game-based learning liet positieve resultaten zien. Een meta-analyse van drie studies (450 deelnemers) vond dat spelgebaseerde benaderingen leidden tot betere IPS-uitkomsten (specifiek zoeken, selecteren en citeren), met een klein significant effect (Hedges’s g = 0.26). Hoewel interactieve groepsoefeningen gemixte resultaten lieten zien voor transfer, zijn dergelijke activerende werkvormen in ieder geval waardevol voor kortetermijnkennis en vaardigheden.
Praktische toepassing
Ontwerp activiteiten die studenten dwingen zelf na te denken en te doen. Bijvoorbeeld: laat studenten stemmen op een stelling: ‘Generatie Z is van nature digitaal vaardig.’ Geef ze daarna vijf minuten om bewijs te zoeken voor het tegendeel van hun eigen mening. Dit helpt hen uit hun confirmation bias te komen. Bespreek daarna klassikaal wie van mening is veranderd. Een ander idee is de Informatievaardighedenbingo, ontwikkeld door mijzelf en collega Pim Renou (informatiespecialist Educatie Hogeschool Utrecht en specialist AI- en Digitale Geletterdheid Npuls). In plaats van een lang college over allerlei zoektechnieken ontdekken studenten deze spelenderwijs terwijl ze een opdracht maken. Als ze een techniek zoals snowballing of het vinden van synoniemen hebben gebruikt, kruisen ze die af op hun bingokaart.
4. Modeling – leren van voorbeelden
Ontwerpprincipe 4: bied studenten de mogelijkheid om korte fragmenten van peer-expertmodellen te observeren, afgewisseld met instructie of ondersteuning, om de informatievaardigheden van studenten te verbeteren.
Zien doet leren. In de helft van de studies (35) werd het observeren van modellen (peers of experts) expliciet genoemd. Theorieën als Bandura’s Social Cognitive Theory en Sweller’s Cognitive Load Theory ondersteunen dit: het observeren van hoe anderen een taak aanpakken, inclusief hun denkproces (think-alouds), helpt studenten complexe vaardigheden te verwerven en kan cognitieve belasting verminderen. Vooral de combinatie van peer-expertvideo’s met begeleiding, gevolgd door oefenen, liet een significant, middelgroot tot groot positief effect zien op IPS-prestaties, die zelfs beklijfden op langere termijn. Video’s van informatiespecialisten lieten daarentegen geen effect zien op self-efficacy.
Praktische toepassing
Demonstreer zelf hoe je een complexe zoekvraag aanpakt. Nog effectiever is het inzetten van een medestudent, een ‘peer expert’. Als een docent het voordoet denken studenten vaak: dat is te moeilijk. Een medestudent is herkenbaarder. Gebruik bijvoorbeeld filmpjes waarin een student laat zien hoe hij ChatGPT gebruikt om startliteratuur te vinden. Dit kan van je eigen studenten zijn, of het kunnen bestaande video’s zijn op YouTube. Het advies is om korte videofragmenten te gebruiken, per stap van het IPS-proces, doorspekt met reflectieve vragen (‘Herken je dit? Hoe zou jij dit aanpakken?’) of expliciete instructie.
5. Ondersteuning – het gaat om meer dan alleen de taak
Ontwerpprincipe 5: bied ondersteuning bij zowel de informatievaardighedentaak als het informatievaardighedenproces en verhoog geleidelijk de complexiteit van de taak om de informatievaardigheden van studenten te verbeteren.
Bijna de helft van de studies (34) bevatte een vorm van taak- of procesondersteuning. Zeker bij complexe, authentieke taken is dit cruciaal. Ondersteuning richt zich vaak op de taakeisen (bijvoorbeeld: ‘Je paper moet X bronnen bevatten.’), maar juist procesondersteuning is essentieel: hoe kom ik daar? De theorie suggereert dat het expliciet maken van onderliggende taakprocessen (scaffolding) zelfregulatie en begrip bevordert, en cognitieve belasting kan verminderen. Ook het aanpassen van taakcomplexiteit aan het vaardigheidsniveau van de student is hier onderdeel van.
Vooral expliciete instructie over het proces van bijvoorbeeld synthese schrijven blijkt effectief. Twee meta-analyses toonden hier significante, middelgrote effecten (Hedges’s g = 0.65 voor het integreren van argumenten uit conflicterende bronnen; Hedges’s g = 0.39 voor het identificeren van argumenten), vergeleken met alleen taakondersteuning. Het aanbieden van enkel een annotatietool zonder expliciete instructie had daarentegen geen effect. Het geleidelijk opvoeren van complexiteit, met afnemende begeleiding, lijkt ook positief te werken.
Praktische toepassing
Bied structuur en hulpmiddelen, niet alleen voor het eindproduct, maar ook voor het doorlopen van het proces. Denk aan hulp bij het maken van een argumentatieschema, mindmaps voor de brainstormfase of het aanreiken van strategieën voor notities maken, bijvoorbeeld met kleurcodes. Ook kun je studenten vragen om een informatiedagboek bij te houden, bijvoorbeeld om hun AI-gebruik tijdens een taak in kaart te brengen. Dit kan een gespreksstarter zijn om hen te ondersteunen in het leerproces.
6. Oefenen – oefening baart kunst
Ontwerpprincipe 6: bied studenten de mogelijkheid om informatievaardigheden te oefenen ter voorbereiding op of na instructie of modelleren, om de informatievaardigheden van studenten te verbeteren.
Maar liefst 52 van de 69 publicaties benadrukten het belang van oefenen. Alleen oefenen is echter niet genoeg. De combinatie met instructie of modeling, ervoor of erna, is essentieel. Theorieën zoals Vygotsky’s sociaal constructivisme en principes van samenwerkend leren onderschrijven dat interactie – met peers of de taak zelf – actieve verwerking stimuleert. Studenten moeten actief hands-on oefenen na expertdemonstraties, niet tegelijkertijd, voor betere kennis van zoekstrategieën. Het combineren van traditionele lesvormen met hands-on actief leren is bijzonder effectief, met middelgrote tot grote verbeteringen in IPS-prestaties. Ook het toevoegen van korte peer-expertvideo’s gevolgd door oefenen blijkt gunstig. De timing kan ook uitmaken: voorbereidende oefentaken buiten de les, voorafgaand aan formele instructie, lieten een groot effect zien op het kritisch beoordelen van informatie van lage kwaliteit. Hoewel het effect van herhaalde oefenmogelijkheden niet geïsoleerd is onderzocht, lijkt ook de intensiteit van oefenen een rol te spelen.
Praktische toepassing
Zorg voor voldoende oefenmogelijkheden, maar koppel deze altijd aan uitleg of een demonstratie. Laat studenten ook actief oefenen. Stimuleer bijvoorbeeld samenwerking en discussie onder studenten door bronnen fysiek op papier te verstrekken, met slechts één exemplaar van elke bron. Hierdoor worden studenten van nature aangemoedigd om de inhoud gezamenlijk te bespreken en te analyseren.
7. Feedback – just-in-time en zelfreflectie
Ontwerpprincipe 7: zorg voor tijdige feedback tijdens de uitvoering van informatievaardighedentaken en faciliteer zelfevaluatie om de informatievaardigheden van studenten te verbeteren.
Feedback is een vitaal onderdeel in 26 van de geanalyseerde publicaties. Het kan betrokkenheid verhogen, negatieve emoties mitigeren en zelfregulerend leren stimuleren. Vooral just-in-time (JIT) feedback, op het moment dat de student het nodig heeft, is waardevol. Een meta-analyse naar directe, klassikale feedback via digitaleresponssystemen (bijvoorbeeld clickers) liet een klein effect zien dat significantie naderde (Hedges’s g = 0.22, p = .07) op kortetermijnkennis. Interessant is ook de rol van self-assessment. Een studie liet zien dat het gebruik van self-assessment rubrics een middelgroot positief effect had op self-efficacy en een klein effect op IPS-vaardigheden.
Praktische toepassing
Geef feedback op het proces, niet alleen op het eindproduct. Of laat studenten na het uitproberen van verschillende zoek- of verwerkingsstrategieën zelf reflecteren: werkte dit voor jou? Zou je het in de toekomst anders doen? Alleen al het hardop nadenken hierover doet wonderen, want veel studenten doen dit onbewust. Peer feedback op zoekstrategieën of het gezamenlijk nalopen van een essay met een rubric voor brongebruik zijn eveneens goede opties. Je kunt studenten ook filmpjes laten maken waarin ze hardop denkend bronnen zoeken, waarop zij dan tussentijdse feedback ontvangen.
HET GROTERE PLAATJE: IPS-EDP-MODEL
De bovenstaande zeven didactische principes hangen met elkaar samen en zijn weergegeven in het geïntegreerde model in afbeelding 2: het Information Problem Solving Educational Design Principles (IPS-EDP)-model. Dit biedt een samenhangend raamwerk om effectieve leeromgevingen voor informatievaardigheden te ontwerpen. Het helpt, in lijn met Biggs’ (1996) concept van constructieve afstemming, om de leerdoelen, de gekozen onderwijs- en leeractiviteiten (fysiek of digitaal, dat blijkt voor de effectiviteit van de principes niet significant uit te maken), en de manier van toetsen en feedback geven optimaal op elkaar af te stemmen. Idealiter worden alle zeven principes geïntegreerd, omdat ze synergistisch werken. De keuze voor een authentieke taak (principe 1) bijvoorbeeld noodzaakt vaak meer ondersteuning (principe 5).
NUANCES EN AANDACHTSPUNTEN
Hoewel de ontwerpprincipes robuuste handvatten bieden, zijn er ook enkele kanttekeningen. De kwaliteit van het onderliggende onderzoek is over het algemeen redelijk tot goed, en de toepasbaarheid van de meeste principes is hoog. Een belangrijk aandachtspunt is de zogenaamde ‘library bias’: veel empirisch bewijs is afkomstig van studies die zich primair richten op de aspecten ‘zoeken en lokaliseren’ en ‘selecteren’ van informatie. De essentie van informatievaardigheden als een set van samenhangende competenties, inclusief definiëren, verwerken, en organiseren en presenteren, komt hierdoor minder uit de verf. Ook werden uitkomsten vaak op de korte termijn gemeten, en was er een focus op kennis en vaardigheden, soms ten koste van attitudes of het regulatieproces.
Daarnaast is het goed om te realiseren dat de meeste studies zijn uitgevoerd in Noord-Amerika of Europa, met eerstejaars of bachelorstudenten, vaak in de context van algemene vorming, sociale wetenschappen of levenswetenschappen. Voorzichtigheid is geboden bij het direct vertalen naar andere contexten, zoals afstudeeronderwijs of specifieke beroepsopleidingen buiten deze domeinen.
EVIDENCE-INFORMED HANDVATTEN
De zeven ontwerpprincipes, gedestilleerd uit een schat aan wetenschappelijk onderzoek, bieden informatieprofessionals concrete en evidence-informed handvatten om de ontwikkeling van informatievaardigheden bij studenten in het hoger onderwijs naar een hoger plan te tillen. Juist in een tijdperk waarin de informatiestroom exponentieel groeit en generatieve AI nieuwe uitdagingen en kansen biedt, is een doordachte aanpak cruciaal. Door bewust en geïntegreerd om te gaan met de leertaak, instructie, modeling, oefening, leeractiviteiten, ondersteuning en feedback kan een significant verschil worden gemaakt in hoe studenten leren navigeren, evalueren en creëren met informatie.
TOEPASSING IN ONDERWIJSCONTEXT
Deze principes vormen een solide theoretische basis. Maar hoe werken ze uit in de weerbarstige onderwijspraktijk van alledag? Leuk dat onderzoek dit zegt, maar hoe makkelijk zijn de principes toe te passen in de onderwijscontext? Dit is precies de vraag die centraal zal staan in een vervolgartikel. De zeven ontwerpprincipes zijn samen met informatieprofessionals uit het Nederlandse hoger onderwijs gevalideerd op basis van hun ervaringen en genoemde kansen en uitdagingen bij de implementatie. Want hoe kunnen we deze wetenschappelijke wegwijzers het beste inzetten om studenten écht informatievaardig te maken, klaar voor de academische en professionele uitdagingen van nu en de toekomst, inclusief het verantwoord omgaan met AI?
> Het vervolgartikel – over hoe informatiespecialisten de zeven ontwerpprincipes ervaren – is in de volgende editie van IP te lezen. <
IP | vakblad voor informatieprofessionals | 01 / 2026
JOSIEN BOETJE
INFORMATION PROBLEM SOLVING
Zeven ontwerpprincipes
Het veld van informatievaardigheden is voortdurend in beweging. De noodzaak om studenten te leren hoe zij informatie kritisch kunnen benaderen, synthetiseren en ethisch gebruiken is in dit AI-tijdperk urgenter dan ooit. Zeven principes, gebaseerd op een analyse van 69 empirische studies, bieden informatieprofessionals concrete en evidence-informed handvatten om de ontwikkeling van informatievaardigheden bij studenten naar een hoger plan te tillen.
Josien Boetje
Promovendus Digitale Informatievaardigheden & AI en lerarenopleider Digitale Geletterdheid aan de Hogeschool Utrecht en Open Universiteit
4. Modeling – leren van voorbeelden
5. Ondersteuning – het gaat om meer dan alleen de taak
Ontwerpprincipe 5: bied ondersteuning bij zowel de informatievaardighedentaak als het informatievaardighedenproces en verhoog geleidelijk de complexiteit van de taak om de informatievaardigheden van studenten te verbeteren.
Bijna de helft van de studies (34) bevatte een vorm van taak- of procesondersteuning. Zeker bij complexe, authentieke taken is dit cruciaal. Ondersteuning richt zich vaak op de taakeisen (bijvoorbeeld: ‘Je paper moet X bronnen bevatten.’), maar juist procesondersteuning is essentieel: hoe kom ik daar? De theorie suggereert dat het expliciet maken van onderliggende taakprocessen (scaffolding) zelfregulatie en begrip bevordert, en cognitieve belasting kan verminderen. Ook het aanpassen van taakcomplexiteit aan het vaardigheidsniveau van de student is hier onderdeel van.
Vooral expliciete instructie over het proces van bijvoorbeeld synthese schrijven blijkt effectief. Twee meta-analyses toonden hier significante, middelgrote effecten (Hedges’s g = 0.65 voor het integreren van argumenten uit conflicterende bronnen; Hedges’s g = 0.39 voor het identificeren van argumenten), vergeleken met alleen taakondersteuning. Het aanbieden van enkel een annotatietool zonder expliciete instructie had daarentegen geen effect. Het geleidelijk opvoeren van complexiteit, met afnemende begeleiding, lijkt ook positief te werken.
Praktische toepassing
Bied structuur en hulpmiddelen, niet alleen voor het eindproduct, maar ook voor het doorlopen van het proces. Denk aan hulp bij het maken van een argumentatieschema, mindmaps voor de brainstormfase of het aanreiken van strategieën voor notities maken, bijvoorbeeld met kleurcodes. Ook kun je studenten vragen om een informatiedagboek bij te houden, bijvoorbeeld om hun AI-gebruik tijdens een taak in kaart te brengen. Dit kan een gespreksstarter zijn om hen te ondersteunen in het leerproces.
Ontwerpprincipe 4: bied studenten de mogelijkheid om korte fragmenten van peer-expertmodellen te observeren, afgewisseld met instructie of ondersteuning, om de informatievaardigheden van studenten te verbeteren.
Zien doet leren. In de helft van de studies (35) werd het observeren van modellen (peers of experts) expliciet genoemd. Theorieën als Bandura’s Social Cognitive Theory en Sweller’s Cognitive Load Theory ondersteunen dit: het observeren van hoe anderen een taak aanpakken, inclusief hun denkproces (think-alouds), helpt studenten complexe vaardigheden te verwerven en kan cognitieve belasting verminderen. Vooral de combinatie van peer-expertvideo’s met begeleiding, gevolgd door oefenen, liet een significant, middelgroot tot groot positief effect zien op IPS-prestaties, die zelfs beklijfden op langere termijn. Video’s van informatiespecialisten lieten daarentegen geen effect zien op self-efficacy.
Praktische toepassing
Demonstreer zelf hoe je een complexe zoekvraag aanpakt. Nog effectiever is het inzetten van een medestudent, een ‘peer expert’. Als een docent het voordoet denken studenten vaak: dat is te moeilijk. Een medestudent is herkenbaarder. Gebruik bijvoorbeeld filmpjes waarin een student laat zien hoe hij ChatGPT gebruikt om startliteratuur te vinden. Dit kan van je eigen studenten zijn, of het kunnen bestaande video’s zijn op YouTube. Het advies is om korte videofragmenten te gebruiken, per stap van het IPS-proces, doorspekt met reflectieve vragen (‘Herken je dit? Hoe zou jij dit aanpakken?’) of expliciete instructie.
3. Actief leren – zelf aan
de slag
Ontwerpprincipe 3: zorg ervoor dat leeractiviteiten de studenten actief betrekken om de informatievaardigheden van studenten te verbeteren.
Passief consumeren is uit den boze als het om informatievaardigheden gaat. Bijna de helft van de studies (34) gebruikte een vorm van actief leren. De gedachte hierachter, vaak geworteld in sociaal constructivisme en studentgecentreerd leren, is dat actieve kennisconstructie leidt tot diepere internalisatie. Vooral game-based learning liet positieve resultaten zien. Een meta-analyse van drie studies (450 deelnemers) vond dat spelgebaseerde benaderingen leidden tot betere IPS-uitkomsten (specifiek zoeken, selecteren en citeren), met een klein significant effect (Hedges’s g = 0.26). Hoewel interactieve groepsoefeningen gemixte resultaten lieten zien voor transfer, zijn dergelijke activerende werkvormen in ieder geval waardevol voor kortetermijnkennis en vaardigheden.
Praktische toepassing
Ontwerp activiteiten die studenten dwingen zelf na te denken en te doen. Bijvoorbeeld: laat studenten stemmen op een stelling: ‘Generatie Z is van nature digitaal vaardig.’ Geef ze daarna vijf minuten om bewijs te zoeken voor het tegendeel van hun eigen mening. Dit helpt hen uit hun confirmation bias te komen. Bespreek daarna klassikaal wie van mening is veranderd.
Een ander idee is de Informatievaardighedenbingo, ontwikkeld door mijzelf en collega Pim Renou (informatiespecialist Educatie Hogeschool Utrecht en specialist AI- en Digitale Geletterdheid Npuls). In plaats van een lang college over allerlei zoektechnieken ontdekken studenten deze spelenderwijs terwijl ze een opdracht maken. Als ze een techniek zoals snowballing of het vinden van synoniemen hebben gebruikt, kruisen ze die af op hun bingokaart.
2. Instructie – meer dan een eenmalig lesje
Ontwerpprincipe 2: neem meerdere informatievaardigheden-instructiesessies in het curriculum op en bed deze in in de inhoud van de betreffende discipline om de informatievaardigheden van studenten te verbeteren.
Een los lesje, waarin een informatiespecialist eenmalig langskomt, is een mooi begin, maar onvoldoende om deze complexe vaardigheden in te slijpen. Meer dan twee derde van de geanalyseerde studies (49) noemt instructie als sleutelelement. Cruciaal zijn meerdere instructiesessies, ingebed in de context van het vakgebied (domeinspecifiek). Een meta-analyse van drie studies (812 deelnemers) onderstreepte dit: meerdere instructiesessies hadden een groot positief effect vergeleken met eenmalige sessies (Hedges’s g = 0.86). Het verbinden van academische inhoud aan praktische toepassingen binnen het domein verhoogt motivatie, diepgang en transfer.
Wel is het zo dat positieve effecten op IPS-prestaties niet altijd beklijfden op een uitgestelde post-test, wat het belang van continue aandacht benadrukt.
Praktische toepassing
Plan informatievaardigheidstraining als een doorlopende leerlijn, geïntegreerd in verschillende vakken. Bij verpleegkunde bijvoorbeeld kan dit worden gekoppeld aan evidence-based medicine. Bij talen kun je denken aan het strategisch gebruik van vertaalmachines. Een korte oefening van een kwartier over hoe je in het Spaans het woord ‘glas’ opzoekt, leert studenten dat ‘vidrio’ (het materiaal glas), ‘vaso’ (een drinkglas) en ‘copa’ (een wijnglas) verschillende betekenissen hebben. Dit legt al een basis voor informatievaardigheden, gekoppeld aan het vak.
In onze huidige samenleving is het vermogen om effectief en efficiënt digitale informatie te verzamelen, evalueren, verwerken, synthetiseren en delen een absolute kerncompetentie. Studenten in het hoger onderwijs worden voortdurend geacht zelfstandig kennis te construeren, waarbij het internet als een van de primaire informatiebronnen dient voor essays, onderzoek en andere academische taken. De recente opkomst van generatieve AI-tools zoals ChatGPT, Gemini en Claude heeft de noodzaak voor robuuste informatievaardigheden, ook wel Information Problem Solving (IPS) genoemd, verder versterkt. Studenten moeten niet alleen leren hoe ze deze AI-hulpmiddelen effectief kunnen inzetten (bijvoorbeeld door het formuleren van scherpe prompts), maar ook hoe ze de AI-gegenereerde output kritisch beoordelen, verifiëren en op een verantwoorde manier integreren in hun eigen werk.
De uitdaging ligt erin dat studenten de gevonden informatie niet klakkeloos overnemen, maar deze verifiëren en daadwerkelijk integreren tot een eigen, nieuw product. Pas dan vindt echte kennisconstructie plaats. Dit vraagt om meer dan basale zoekvaardigheden; het vereist een complexe set van competenties. Hoe geef je nu écht goed les in deze vaardigheden binnen het hoger onderwijs? En wat zegt de wetenschap over effectieve aanpakken?
69 EMPIRISCHE STUDIES
Onze grootschalige systematische review en meta-analyse vanuit de Hogeschool Utrecht en Open Universiteit biedt nieuwe antwoorden. In de studie Design principles for developing information problem solving competence in higher education: A systematic review and meta-analysis werden maar liefst 69 empirische studies (gepubliceerd tussen 2000-2023) met een voor- en nameting en controlegroep geanalyseerd. Het resultaat? Zeven concrete ‘Ontwerpprincipes’ – ontwerpprincipes – die bewezen effectief zijn.
Dit artikel vertaalt deze wetenschappelijke inzichten naar de dagelijkse praktijk van de informatieprofessional in het hoger onderwijs. Hoe kun je deze principes gebruiken om jouw trainingen, workshops en begeleiding nog krachtiger te maken in dit snel veranderende informatielandschap?
EERST DE BASIS
Voordat we de principes induiken is het goed om stil te staan bij wat informatievaardigheden precies inhouden. Voor digitale informatievaardigheden zijn diverse definities in omloop (Vuorikari et al., 2022; Brand-Gruwel et al., 2009; SLO, 2022). In deze definities worden digitale informatievaardigheden beschouwd als een set complexe deelcompetenties die onderling verbonden zijn binnen een zich herhalend proces. In afbeelding 1 zie je hoe de verschillende radars de deelcompetenties symboliseren, met als centrale radar de regulatie van het informatievaardighedenproces (Boetje, 2025). Veelgenoemde deelcompetenties van dit proces zijn:
> De informatievraag verhelderen
> Een zoekstrategie bepalen en uitvoeren
> De informatie op basis van bruikbaarheid, relevantie en betrouwbaarheid selecteren en evalueren
> De informatie diepgaand verwerken
> Informatie uit meerdere bronnen synthetiseren
> De informatie synthetiseren en organiseren om een samenhangend antwoord of product te presenteren
COMPLEXE COMPETENTIE
IPS is een complexe competentie die de integratie en coördinatie van kennis, vaardigheden én attitudes vereist. Ondanks de populaire opvatting dat studenten als digital natives van nature vaardig zijn met internet, wijst onderzoek consistent uit dat velen moeite hebben met effectief zoeken, kritisch evalueren en diepgaand verwerken van informatie. De huidige onderwijspraktijk laat bovendien vaak te wensen over: integratie van informatievaardigheden is veelal beperkt, slecht geïmplementeerd, of men gaat er ten onrechte vanuit dat studenten deze vaardigheden vanzelf wel oppikken. Expliciete instructie en doordacht ontworpen leeromgevingen zijn dus noodzakelijk.
Dit brengt ons bij de vraag: hoe kunnen we digitale informatievaardigheden het meest effectief onderwijzen? (In het vervolg van dit stuk in de volgende editie van IP lees je over een aantal didactische principes gericht op het effectief aanleren van digitale informatievaardigheden.)
DE ZEVEN ONTWERPPRINCIPES UITGELICHT
1. De Leertaak – ga voor authenticiteit!
Ontwerpprincipe 1: zorg ervoor dat de leertaak (a) door studenten als relevant wordt ervaren (persoonlijk, academisch of professioneel), (b) integratie van vaardigheden, kennis en attitudes vereist, en (c) authentieke praktijkscenario’s uit het echte leven bevat om de informatievaardigheden van studenten te verbeteren.
Dit eerste principe vormt de kern van een effectieve leeromgeving. Een effectieve leertaak is er een die studenten als relevant ervaren, of dit nu persoonlijk, academisch of professioneel is. Het moet hen uitdagen om vaardigheden, kennis en attitudes te integreren en moet idealiter een authentiek, levensecht scenario nabootsen. Uit twintig studies die taakrelevantie onderzochten bleek dat dit de IPS-competentie significant kan verbeteren, vaak met middelgrote tot grote effectgroottes. Hoewel de kracht van authentieke, relevante taken duidelijk is, onderzochten veel studies de leertaak samen met andere variabelen, wat het lastig maakt het onafhankelijke effect te isoleren. Ook is er vooral gekeken naar kortetermijneffecten.
Praktische toepassing
Weg met losse ‘zoek dit op’-opdrachten! Integreer informatievaardigheden in realistische (onderzoeks)projecten. Bij de lerarenopleiding maken studenten een educatieve website over een zelfgekozen onderwerp. Ze zoeken informatie, verwerken deze en creëren een product dat ze direct in hun toekomstige werk kunnen gebruiken. Zo’n hele taak, die het complete IPS-proces doorloopt, is motiverender en effectiever. Een bijkomend voordeel: door zelf iets te maken, zoals een website, worden studenten kritischer op bronnen. Ze ervaren hoe makkelijk het is om selectief te ‘shoppen’ (cherrypicking) en een bepaald punt te maken, waardoor ze ook kritischer worden als consument van informatie.
Afbeelding 1: de deelcompetenties van het informatievaardighedenproces (Boetje, 2025)
6. Oefenen – oefening baart kunst
Ontwerpprincipe 6: bied studenten de mogelijkheid om informatievaardigheden te oefenen ter voorbereiding op of na instructie of modelleren, om de informatievaardigheden van studenten te verbeteren.
Maar liefst 52 van de 69 publicaties benadrukten het belang van oefenen. Alleen oefenen is echter niet genoeg. De combinatie met instructie of modeling, ervoor of erna, is essentieel. Theorieën zoals Vygotsky’s sociaal constructivisme en principes van samenwerkend leren onderschrijven dat interactie – met peers of de taak zelf – actieve verwerking stimuleert. Studenten moeten actief hands-on oefenen na expertdemonstraties, niet tegelijkertijd, voor betere kennis van zoekstrategieën. Het combineren van traditionele lesvormen met hands-on actief leren is bijzonder effectief, met middelgrote tot grote verbeteringen in IPS-prestaties. Ook het toevoegen van korte peer-expertvideo’s gevolgd door oefenen blijkt gunstig. De timing kan ook uitmaken: voorbereidende oefentaken buiten de les, voorafgaand aan formele instructie, lieten een groot effect zien op het kritisch beoordelen van informatie van lage kwaliteit. Hoewel het effect van herhaalde oefenmogelijkheden niet geïsoleerd is onderzocht, lijkt ook de intensiteit van oefenen een rol te spelen.
Praktische toepassing
Zorg voor voldoende oefenmogelijkheden, maar koppel deze altijd aan uitleg of een demonstratie. Laat studenten ook actief oefenen. Stimuleer bijvoorbeeld samenwerking en discussie onder studenten door bronnen fysiek op papier te verstrekken, met slechts één exemplaar van elke bron. Hierdoor worden studenten van nature aangemoedigd om de inhoud gezamenlijk te bespreken en te analyseren.
7. Feedback – just-in-time en zelfreflectie
Ontwerpprincipe 7: zorg voor tijdige feedback tijdens de uitvoering van informatievaardighedentaken en faciliteer zelfevaluatie om de informatievaardigheden van studenten te verbeteren.
Feedback is een vitaal onderdeel in 26 van de geanalyseerde publicaties. Het kan betrokkenheid verhogen, negatieve emoties mitigeren en zelfregulerend leren stimuleren. Vooral just-in-time (JIT) feedback, op het moment dat de student het nodig heeft, is waardevol. Een meta-analyse naar directe, klassikale feedback via digitaleresponssystemen (bijvoorbeeld clickers) liet een klein effect zien dat significantie naderde (Hedges’s g = 0.22, p = .07) op kortetermijnkennis. Interessant is ook de rol van self-assessment. Een studie liet zien dat het gebruik van self-assessment rubrics een middelgroot positief effect had op self-efficacy en een klein effect op IPS-vaardigheden.
Praktische toepassing
Geef feedback op het proces, niet alleen op het eindproduct. Of laat studenten na het uitproberen van verschillende zoek- of verwerkingsstrategieën zelf reflecteren: werkte dit voor jou? Zou je het in de toekomst anders doen? Alleen al het hardop nadenken hierover doet wonderen, want veel studenten doen dit onbewust. Peer feedback op zoekstrategieën of het gezamenlijk nalopen van een essay met een rubric voor brongebruik zijn eveneens goede opties. Je kunt studenten ook filmpjes laten maken waarin ze hardop denkend bronnen zoeken, waarop zij dan tussentijdse feedback ontvangen.
HET GROTERE PLAATJE: IPS-EDP-MODEL
De bovenstaande zeven didactische principes hangen met elkaar samen en zijn weergegeven in het geïntegreerde model in afbeelding 2: het Information Problem Solving Educational Design Principles (IPS-EDP)-model. Dit biedt een samenhangend raamwerk om effectieve leeromgevingen voor informatievaardigheden te ontwerpen. Het helpt, in lijn met Biggs’ (1996) concept van constructieve afstemming, om de leerdoelen, de gekozen onderwijs- en leeractiviteiten (fysiek of digitaal, dat blijkt voor de effectiviteit van de principes niet significant uit te maken), en de manier van toetsen en feedback geven optimaal op elkaar af te stemmen. Idealiter worden alle zeven principes geïntegreerd, omdat ze synergistisch werken. De keuze voor een authentieke taak (principe 1) bijvoorbeeld noodzaakt vaak meer ondersteuning (principe 5).
NUANCES EN AANDACHTSPUNTEN
Hoewel de ontwerpprincipes robuuste handvatten bieden, zijn er ook enkele kanttekeningen. De kwaliteit van het onderliggende onderzoek is over het algemeen redelijk tot goed, en de toepasbaarheid van de meeste principes is hoog. Een belangrijk aandachtspunt is de zogenaamde ‘library bias’: veel empirisch bewijs is afkomstig van studies die zich primair richten op de aspecten ‘zoeken en lokaliseren’ en ‘selecteren’ van informatie. De essentie van informatievaardigheden als een set van samenhangende competenties, inclusief definiëren, verwerken, en organiseren en presenteren, komt hierdoor minder uit de verf. Ook werden uitkomsten vaak op de korte termijn gemeten, en was er een focus op kennis en vaardigheden, soms ten koste van attitudes of het regulatieproces.
Daarnaast is het goed om te realiseren dat de meeste studies zijn uitgevoerd in Noord-Amerika of Europa, met eerstejaars of bachelorstudenten, vaak in de context van algemene vorming, sociale wetenschappen of levenswetenschappen. Voorzichtigheid is geboden bij het direct vertalen naar andere contexten, zoals afstudeeronderwijs of specifieke beroepsopleidingen buiten deze domeinen.
EVIDENCE-INFORMED HANDVATTEN
De zeven ontwerpprincipes, gedestilleerd uit een schat aan wetenschappelijk onderzoek, bieden informatieprofessionals concrete en evidence-informed handvatten om de ontwikkeling van informatievaardigheden bij studenten in het hoger onderwijs naar een hoger plan te tillen. Juist in een tijdperk waarin de informatiestroom exponentieel groeit en generatieve AI nieuwe uitdagingen en kansen biedt, is een doordachte aanpak cruciaal. Door bewust en geïntegreerd om te gaan met de leertaak, instructie, modeling, oefening, leeractiviteiten, ondersteuning en feedback kan een significant verschil worden gemaakt in hoe studenten leren navigeren, evalueren en creëren met informatie.
TOEPASSING IN ONDERWIJSCONTEXT
Deze principes vormen een solide theoretische basis. Maar hoe werken ze uit in de weerbarstige onderwijspraktijk van alledag? Leuk dat onderzoek dit zegt, maar hoe makkelijk zijn de principes toe te passen in de onderwijscontext? Dit is precies de vraag die centraal zal staan in een vervolgartikel. De zeven ontwerpprincipes zijn samen met informatieprofessionals uit het Nederlandse hoger onderwijs gevalideerd op basis van hun ervaringen en genoemde kansen en uitdagingen bij de implementatie. Want hoe kunnen we deze wetenschappelijke wegwijzers het beste inzetten om studenten écht informatievaardig te maken, klaar voor de academische en professionele uitdagingen van nu en de toekomst, inclusief het verantwoord omgaan met AI?
> Het vervolgartikel – over hoe informatiespecialisten de zeven ontwerpprincipes ervaren – is in de volgende editie van IP te lezen. <
Afbeelding 2: het Information Problem Solving Educational Design Principles (IPS-EDP)-model
IP | vakblad voor informatieprofessionals | 01 / 2026