VRIJE INFORMATIE JON HOOFWIJK
Fara Dabhoiwala:
Jon Hoofwijk
Studeerde algemene en vergelijkende literatuurwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam en Universität Essen (D) en multimedia bij IBM; sinds 1996 schrijft hij over IT en aanverwante onderwerpen
Princeton-onderzoeker en historicus Fara Dabhoiwala heeft met zijn boek What is Free Speech? The History of a Dangerous Idea een belangrijke bijdrage geleverd aan het debat over vrijheid van meningsuiting. Onlangs verzorgde hij over dit onderwerp een keynote tijdens de Historicidagen. IP had de mogelijkheid om hem achteraf te interviewen.
Fara Dabhoiwala
Fara Dabhoiwala is senior onderzoeker aan de Princeton University in New Jersey en doceert en schrijft over de sociale, culturele en intellectuele geschiedenis van de Engelstalige wereld, van de middeleeuwen tot nu. Hij is de auteur van The Origins of Sex: A History of the First Sexual Revolution (2012) en What is Free Speech? The History of a Dangerous Idea (2025).
Dabhoiwala werd in Engeland geboren als kind van Indiase ouders. Vanwege het werk van zijn vader verhuisde hij met zijn familie naar Amsterdam, waar hij opgroeide en een tijdje studeerde.
---------------------------------------------------------------
WIE WAT DABHOIWALA
Twee tegengestelde modellen
van vrije meningsuiting
Gebaseerd op de historische en filosofische analyses van Faramerz Dabhoiwala (2025)
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Kenmerk | Het Wetenschappelijke Model | Het Commerciële Platformmodel |
Hoofddoel (core purpose) | Het bevorderen van de collectieve zoektocht naar waarheid, kennis en dieper begrip van moeilijke vragen. | Het maximaliseren van gebruikersbetrokkenheid (clicks, engagement), advertentie-inkomsten en winst voor platformeigenaren. |
Regulering & controle | Strikte collectieve regels. Vrijheid van onderzoek gaat hand in hand met strenge kwaliteitscontroles en academische normen. | Minimale of afwezige regelgeving. Platformen worden wettelijk ontzien van redactionele verantwoordelijkheid voor gedeelde inhoud. |
Kwaliteitsmechanismen | Collegiale toetsing (peer review), replicatie van experimenten, factchecking en voortdurende hervalidatie door experts. | Algoritmes die sensationele, extreme of misleidende content juist extra versterken, omdat die viraal gaat en clicks oplevert. |
Rol van ‘wrijving’ (friction) | Positief en noodzakelijk. Kwaliteitscontrole vertraagt het proces en kost geld, maar is essentieel voor betrouwbaarheid. | Negatief en ongewenst. ‘Wrijving’ vertraagt de verspreiding, vermindert de platformactiviteit en hindert het verdienmodel. |
Toon & normen | Respectvolle omgangsvormen. Zelfs felle meningsverschillen moeten in niet-beledigende, niet-abusive taal worden verwoord. | Vaak polariserend en vijandig. Systemen belonen ophef, haatdragende taal, desinformatie en emotionele reacties. |
Focus van vrijheid | De verantwoordelijkheid voor de verspreiding (amplificatie) en het recht van het publiek om betrouwbare informatie te ontvangen. | De absolute vrijheid van de zender of het platform om onbeperkt te zenden wat zij willen, ongeacht de maatschappelijke schade. |
Bron: Faramerz Dabhoiwala, What is Free Speech? The History of a Dangerous Idea (2025) & The real history of free speech (Financial Times, 2025). Visualisatie ontworpen als infographic voor informatieprofessionals.
Twee tegengestelde modellen
van vrije meningsuiting
Het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap (KNHG) organiseerde afgelopen augustus in samenwerking met de Universiteit Leiden voor de vijfde maal de Historicidagen. Het thema van dit jaar was: ‘De toekomst van de geschiedenis’. Het programma, verspreid over drie dagen, besteedde uitgebreid aandacht aan de impact van kunstmatige intelligentie, de beroepsethiek in tijden van polarisatie, de gevolgen van digitalisering voor de archiefwereld en de toekomst van het geschiedenisonderwijs in Nederland. Fara Dabhoiwala was een van de keynote speakers tijdens dit evenement; met zijn lezing dook hij in ‘de vrijheid van meningsuiting in Amerika en Europa’. Hij sprak onder meer over het belang van historisch inzicht voor het begrijpen en aanpakken van de huidige uitdagingen. IP legde hem na afloop enkele vragen voor over vrijheid van meningsuiting en de rol van informatieprofessionals in deze context.
DE PARADOX VAN DE IDEEËNMARKT:
INFORMATIEKWALITEIT
VERSUS VRIJE TOEGANG
In je boek What is Free Speech? stel je dat de wetenschappelijke wereld het beste voorbeeld is van hoe het streven naar waarheid in de praktijk werkt. Dit model berust op een combinatie van onderzoeksvrijheid en een strikt, gereguleerd systeem van kwaliteitscontrole. Informatieprofessionals spannen zich in om vrije toegang tot informatie te bieden, maar ook om de betrouwbaarheid ervan te waarborgen. Hoe kunnen zij hierin een evenwicht vinden?
‘Openheid is één ding, toegankelijkheid is één ding en betrouwbaarheid is weer iets anders. Als je materiaal bewaart en ervoor zorgt dat het betrouwbaar en nauwkeurig is, dan zie ik niet in dat er per se een paradox of spanning bestaat met het toestaan van vrije toegang ertoe. Informatieprofessionals spelen een belangrijke rol bij het selecteren van materiaal, het ordenen ervan en uitleggen wat het is, in plaats van het alleen maar toegankelijk te maken, zonder zulke metagegevens. Heel vaak is het een kwestie van communicatie, het aanboren van kennis uit de gemeenschap en het verfijnen van hoe je dingen beschrijft. Het gaat immers om levende vraagstukken. Bij de beschrijving van archiefmateriaal en dergelijke gaat het dus altijd om welke taal je gebruikt (en die taal verandert) en welke categorieën je hanteert.’
Je schrijft dat het vaststellen van feiten en het bevorderen van de waarheid collectieve regels vereist. Zie je hier een actieve, vernieuwde rol weggelegd voor bibliothecarissen en informatieprofessionals als poortwachters van deze kwaliteitsnormen?
‘In veel gevallen zijn ze dat, maar dan kunnen deze zaken al snel gepolitiseerd raken. In de Verenigde Staten is dit een enorm strijdtoneel in de cultuuroorlogen. Welke boeken moeten in de collectie worden opgenomen, welke niet, hoe moeten ze worden geclassificeerd, zijn ze geschikt voor kinderen of niet? Het probleem hier is, denk ik, dat als je iets te veel presenteert als gezaghebbend poortwachterschap, het gepolitiseerd kan raken op een manier die niet bevorderlijk is. Als je daarentegen gewoon probeert transparant te zijn over de normen die je hanteert bij het samenstellen van een collectie en de nauwkeurigheid ervan, dan is er misschien een manier om dit belangrijke punt te behouden: dat we instellingen nodig hebben met gezag en onafhankelijkheid om te beoordelen welk materiaal het bewaren waard is, welke informatie nauwkeuriger is en welke minder.’
HET RECHT OP BETROUWBARE INFORMATIE
IN HET ALGORITMISCHE TIJDPERK
In de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw evolueerde het begrip ‘vrijheid van meningsuiting’ zodanig dat het niet langer uitsluitend ging over de absolute vrijheid van media en individuen, maar ook over het recht van het publiek op betrouwbare informatie. Hoe kunnen informatieprofessionals dit recht verdedigen wanneer de dominante, commerciële informatie-infrastructuur erop is gericht sensationele onwaarheden te belonen en te verspreiden?
‘Het is het grootste probleem op het gebied van vrijheid van meningsuiting van onze tijd, en tevens het meest urgente. We moeten het op drie verschillende niveaus aanpakken. Het eerste is het individuele niveau. Families en individuen moeten zich realiseren dat als je de echte waarheid over de wereld op een genuanceerde en diepgaande manier wilt kennen, je die niet zult vinden door je mobiele telefoon te openen en er urenlang op te scrollen. Ze moeten ervan doordrongen zijn dat sociale media manipulatief zijn en worden aangestuurd door winstmotieven. En dat er andere, betrouwbaardere bronnen van nieuws of bewijs bestaan.
Het tweede niveau is dat we als samenleving enorme druk moeten uitoefenen op socialemediabedrijven om verantwoordelijkheid te nemen voor hun macht. Dat gebeurt, langzaam maar zeker, overal ter wereld. Mensen worden zich er bijvoorbeeld van bewust dat sociale media niet geschikt zijn voor kinderen. In veel landen worden er beperkingen opgelegd aan het gebruik ervan door minderjarigen.
Het derde niveau is dat regeringen dit moeten aanpakken. Ze moeten moediger zijn en verantwoordelijkheid nemen door te zeggen dat er gevaren in schuilen wanneer te veel macht in particuliere handen terechtkomt. Regeringen hebben dat altijd gedaan met kranten en omroepen. Vanwege de enorme economische belangen die op het spel staan en de politiek en de Amerikaanse spanningen aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, hebben ze moeite om dit ook te doen met socialemediabedrijven. Hetzelfde probleem doet zich nu voor bij kunstmatige intelligentie. Overheden willen gewoon heel winstgevende bedrijven verwelkomen en hen toestaan te doen wat ze willen, omdat dat volgens hen banen en welvaart zal opleveren. Ze moeten echter sneller inzien waar ze moeten reguleren.’
SLIMME EUROPESE WETGEVING
‘De Europese wetgeving is heel slim, omdat ze de voor de hand liggende valkuil vermijdt om deze macht aan regeringen over te laten. Je wilt de macht niet rechtstreeks aan regeringen of politici geven om te beslissen wat er wel en niet in de publieke ruimte mag worden gezegd. Je moet dit op een manier doen die zo min mogelijk politiseert en zo breed mogelijk wordt gedragen. De Europese wetgeving zegt simpelweg tegen al deze platforms: “Jullie zeggen dat jullie normen hebben over wat er wel en niet gepubliceerd mag worden op Instagram, Facebook of wat dan ook. Het enige wat je hoeft te doen is ons vertellen wat die normen zijn en ons vervolgens laten zien dat je ze eerlijk en gelijkwaardig toepast, zonder oneerlijke censuur.” En natuurlijk, omdat ze allemaal op basis van algoritmes werken, hechten ze daar niet per se belang aan. Maar dat zouden ze wel moeten doen.’
LESSEN TREKKEN UIT
HISTORISCHE MEDIA-EXPLOSIES
Het moderne debat over persvrijheid ontstond rond 1700 als gevolg van de ontwrichtende invloed van nieuwe media. De intrekking van de wetgeving inzake preventieve censuur (de Licensing Act) in Engeland in 1695 leidde tot een enorme explosie van ongereguleerd drukwerk. Welke lessen kunnen we trekken uit de manier waarop de samenleving rond 1700 reageerde op de plotselinge overvloed aan ongefilterd drukwerk?
‘Er zijn veel overeenkomsten tussen de mediarevolutie van de achttiende eeuw en die van vandaag. Niet in de laatste plaats omdat veel veranderingen worden aangestuurd door marktkrachten en het streven naar winst. Maar het echte probleem voor allerlei soorten informatieprofessionals in onze digitale wereld is eigenlijk heel anders: het gaat om het verval en de snelheid waarmee digitale publicaties veranderen, en hoe we die kunnen bewaren. Iets wat op papier is gedrukt, heeft een opmerkelijk lang leven omdat het niet vergaat. Mensen die in archieven werken, weten dat men in de negentiende eeuw op verschillende manieren, op goedkopere manieren, papier begon te maken. Dat papier gaat veel minder lang mee, en het zorgt voor een probleem op de lange termijn omdat het zuur bevat en uiteindelijk gewoon vanzelf vergaat.
Ik denk dat we ons nu in een situatie bevinden waarin alles wat digitaal wordt geproduceerd heel snel in verval raakt. Dat geldt ook voor ons vermogen om het te kunnen lezen. Ik heb nu al geen toegang meer tot de allereerste e-mails die ik vroeger zorgvuldig op mijn computer had opgeslagen, omdat de besturingssystemen, de software en de hardware zijn veranderd. Dat probleem wordt alleen maar erger omdat systemen steeds sneller worden bijgewerkt en verouderd raken. Het idee dat iets gedigitaliseerd is en daarom voor altijd bestaat is volkomen onjuist. Het is juist het tegenovergestelde.’
INCLUSIE, UITSLUITING
EN GESCHIEDENIS IN ONZE COLLECTIES
De historische vrijheid van meningsuiting was in de praktijk vaak sterk geracialiseerd en patriarchaal: vrouwen, minderheden en gekoloniseerde volkeren werden systematisch uitgesloten van de publieke ruimte en het recht om gehoord te worden. Welk advies heb je voor archivarissen en informatiemanagers bij het in de context plaatsen van deze klassieke maar moreel complexe historische bronnen voor het grote publiek?
‘Ze doen het al fantastisch. Alleen al het besef dat het belangrijk is om dingen te beschrijven op een manier die past bij het heden is een goed uitgangspunt. En dan is de tweede stap: hoe bepalen we wat gepast is en wat niet, en wie moeten we daarvoor raadplegen? Dat kan niet één persoon in een kantoor beslissen. Er zijn momenteel veel mooie voorbeelden in Nederland van mensen die hun verantwoordelijkheid hierin serieus nemen. Er is een commissie die zich bezighoudt met de repatriëring van materiaal uit musea naar andere delen van de wereld. En die met mensen in die delen van de wereld in gesprek gaan over wat gepast is en wat niet.
Bij het catalogiseren van teksten en andere voorwerpen moet je je bezighouden met beschrijvingskwesties. Je kunt de tekst uit het verleden niet veranderen. Je kunt de voorwerpen niet veranderen. Het enige wat je kunt doen is proberen ze voor het heden te beschrijven op manieren die passend zijn voor het heden, maar die het verleden laten bestaan en de voorwerpen uit het verleden hun eigen integriteit laten behouden.’
Pogingen om gemarginaliseerde groepen een stem te geven of om beledigende terminologie in archieven aan te passen worden soms afgeschilderd als een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting of als ‘cancelcultuur’. Hoe helpt jouw historische analyse ons om dit conflict beter te begrijpen?
‘Ten eerste is taalpolitiek altijd al omstreden geweest en dat zal altijd zo blijven. Ten tweede vindt niemand het leuk om te horen dat hij zijn mond moet houden. Dat is voor ons allemaal een zeer diepgaande psychologische trigger. Aan de andere kant bestaan er overal regels over taal. Wat je wel en niet mag zeggen is een voortdurend omstreden kwestie. In ons normale sociale leven kunnen we daar prima mee omgaan. Als je met je vrienden in een café zit, praat je heel anders. Je maakt misschien grappen die je op je werk niet zou maken. De moeilijkheid ontstaat als je probeert normen te creëren die voor zeer grote groepen gelden. Dan voelen mensen zich niet per se betrokken bij het besluitvormingsproces.
De vraag waar je het over had is: hoe kunnen we in onze samenleving recht doen aan het ideaal waar we het ongetwijfeld allemaal over eens zijn: namelijk dat elke burger, elke inwoner, een gelijke stem heeft. We moeten luisteren naar mensen die zich gemarginaliseerd voelen, die daadwerkelijk gemarginaliseerd zijn, en begrijpen dat we onze taal misschien moeten veranderen als het gaat om de manier waarop we hen beschrijven, hoe we tegen hen spreken en hoe we met hen omgaan.’
WOORDEN ALS HANDELINGEN,
DE GRENZEN VAN CURATIE
Een centraal en gedurfd standpunt in je werk is dat we het onderscheid tussen woorden en handelingen moeten loslaten. Als we woorden beschouwen als handelingen die daadwerkelijk schade kunnen aanrichten, welke verantwoordelijkheid dragen informatieprofessionals dan bij het samenstellen van collecties?
‘Dat is enigszins te simplistisch. Woorden zijn een specifieke vorm van handelen. Ze zijn vluchtig, voornamelijk triviaal, maar ze bestaan wel degelijk om effect te sorteren in de wereld. Daarom spreken we met andere mensen. Dat is zelfs de reden waarom we tegen onszelf praten onder de douche. Zelfs als er geen publiek is, zijn woorden bedoeld om effect te hebben in de wereld.
We moeten uitgaan van het principe van maximale vrijheid. Maar in bepaalde, beperkte omstandigheden is het ongetwijfeld zo dat communicatie schadelijk kan zijn voor het algemeen belang of voor individuen. Het probleem ligt niet in het feit dat één persoon iets tegen een ander persoon zegt. Het is de versterking ervan onder het publiek op grote schaal. Als iedereen gaat geloven dat je een pedofiel bent omdat je buurman deze leugens over je verspreidt, dan kan dat je leven verpesten.
We hebben wetten, voorschriften en normen nodig om dat te voorkomen en te bestraffen als het toch gebeurt. Ook het algemeen belang kan schade ondervinden, bijvoorbeeld door de verspreiding van verkeerde informatie over ernstige zaken. Door de geschiedenis heen waren mensen zich er terdege van bewust dat er pogroms, rellen en bloedvergieten kunnen plaatsvinden wanneer je bijvoorbeeld verkeerde informatie verspreidt over etnische groepen of de idee dat joden christelijke kinderen vermoorden.’
VERKEERDE INFORMATIE VAN VIJANDIGE STATEN
‘Hetzelfde geldt voor het toestaan dat vijandige staten verkeerde informatie onder de bevolking verspreiden zoals de Russen dat op dit moment continu doen. We moeten systemen hebben om dit te voorkomen. Als we naar historische voorbeelden kijken, zijn we het er allemaal over eens dat er in het publieke debat geen plaats is voor fanatiek antisemitisme. Natuurlijk kan deze kwestie gepolitiseerd worden als het gaat om actuele politieke gebeurtenissen, maar laten we ons beperken tot de geschiedenis. Een ander goed voorbeeld zijn beelden van tot slaaf gemaakte mensen. Vooral als het gaat om foto’s van echte personen die zonder hun toestemming zijn gemaakt. Moeten deze worden tentoongesteld? Moeten deze zelfs online makkelijk toegankelijk zijn voor het publiek?
Informatieprofessionals zijn de meest aangewezen personen om met zulke vragen om te gaan omdat ze experts zijn in deze kwesties. Zij werken binnen een gemeenschap waarin zij deze zaken kunnen bespreken. En zij zijn, hoop ik, betrokken bij de veranderende samenlevingen en sociale normen rondom deze zaken. Dat zijn allemaal factoren die meespelen bij het nemen van beslissingen. En dat is geen censuur.’ <
‘We hebben onafhankelijke instellingen nodig om te beoordelen welk materiaal het bewaren waard is, welke informatie nauwkeurig is’
‘Als je de echte waarheid over de wereld genuanceerd en diepgaand wilt kennen, zul je die niet vinden door uren te scrollen’
‘We moeten ervan doordrongen zijn dat sociale media manipulatief zijn en worden aangestuurd door winstmotieven’
‘Als samenleving moeten we enorme druk uitoefenen op socialemediabedrijven om verantwoordelijkheid te nemen voor hun macht’
‘Alles wat digitaal wordt geproduceerd raakt heel snel in verval. Dat geldt ook voor ons vermogen om het te kunnen lezen’
‘Niemand vindt het leuk om te horen dat hij zijn mond moet houden. Dat is voor ons allemaal een zeer diepgaande psychologische trigger’
IP | vakblad voor informatieprofessionals | 07 / 2026
Princeton-onderzoeker en historicus Fara Dabhoiwala heeft met zijn boek What is Free Speech? The History of a Dangerous Idea een belangrijke bijdrage geleverd aan het debat over vrijheid van meningsuiting. Onlangs verzorgde hij over dit onderwerp een keynote tijdens de Historicidagen. IP had de mogelijkheid om hem achteraf te interviewen.
Jon Hoofwijk
Studeerde algemene en vergelijkende literatuurwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam en Universität Essen (D) en multimedia bij IBM; sinds 1996 schrijft hij over IT en aanverwante onderwerpen
Fara Dabhoiwala:
VRIJE INFORMATIE JON HOOFWIJK
Fara Dabhoiwala
Fara Dabhoiwala is senior onderzoeker aan de Princeton University in New Jersey en doceert en schrijft over de sociale, culturele en intellectuele geschiedenis van de Engelstalige wereld, van de middeleeuwen tot nu. Hij is de auteur van The Origins of Sex: A History of the First Sexual Revolution (2012) en What is Free Speech? The History of a Dangerous Idea (2025).
Dabhoiwala werd in Engeland geboren als kind van Indiase ouders. Vanwege het werk van zijn vader verhuisde hij met zijn familie naar Amsterdam, waar hij opgroeide en een tijdje studeerde.
Het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap (KNHG) organiseerde afgelopen augustus in samenwerking met de Universiteit Leiden voor de vijfde maal de Historicidagen. Het thema van dit jaar was: ‘De toekomst van de geschiedenis’. Het programma, verspreid over drie dagen, besteedde uitgebreid aandacht aan de impact van kunstmatige intelligentie, de beroepsethiek in tijden van polarisatie, de gevolgen van digitalisering voor de archiefwereld en de toekomst van het geschiedenisonderwijs in Nederland. Fara Dabhoiwala was een van de keynote speakers tijdens dit evenement; met zijn lezing dook hij in ‘de vrijheid van meningsuiting in Amerika en Europa’. Hij sprak onder meer over het belang van historisch inzicht voor het begrijpen en aanpakken van de huidige uitdagingen. IP legde hem na afloop enkele vragen voor over vrijheid van meningsuiting en de rol van informatieprofessionals in deze context.
DE PARADOX VAN DE IDEEËNMARKT:
INFORMATIEKWALITEIT
VERSUS VRIJE TOEGANG
In je boek What is Free Speech? stel je dat de wetenschappelijke wereld het beste voorbeeld is van hoe het streven naar waarheid in de praktijk werkt. Dit model berust op een combinatie van onderzoeksvrijheid en een strikt, gereguleerd systeem van kwaliteitscontrole. Informatieprofessionals spannen zich in om vrije toegang tot informatie te bieden, maar ook om de betrouwbaarheid ervan te waarborgen. Hoe kunnen zij hierin een evenwicht vinden?
‘Openheid is één ding, toegankelijkheid is één ding en betrouwbaarheid is weer iets anders. Als je materiaal bewaart en ervoor zorgt dat het betrouwbaar en nauwkeurig is, dan zie ik niet in dat er per se een paradox of spanning bestaat met het toestaan van vrije toegang ertoe. Informatieprofessionals spelen een belangrijke rol bij het selecteren van materiaal, het ordenen ervan en uitleggen wat het is, in plaats van het alleen maar toegankelijk te maken, zonder zulke metagegevens. Heel vaak is het een kwestie van communicatie, het aanboren van kennis uit de gemeenschap en het verfijnen van hoe je dingen beschrijft. Het gaat immers om levende vraagstukken. Bij de beschrijving van archiefmateriaal en dergelijke gaat het dus altijd om welke taal je gebruikt (en die taal verandert) en welke categorieën je hanteert.’
Je schrijft dat het vaststellen van feiten en het bevorderen van de waarheid collectieve regels vereist. Zie je hier een actieve, vernieuwde rol weggelegd voor bibliothecarissen en informatieprofessionals als poortwachters van deze kwaliteitsnormen?
‘In veel gevallen zijn ze dat, maar dan kunnen deze zaken al snel gepolitiseerd raken. In de Verenigde Staten is dit een enorm strijdtoneel in de cultuuroorlogen. Welke boeken moeten in de collectie worden opgenomen, welke niet, hoe moeten ze worden geclassificeerd, zijn ze geschikt voor kinderen of niet? Het probleem hier is, denk ik, dat als je iets te veel presenteert als gezaghebbend poortwachterschap, het gepolitiseerd kan raken op een manier die niet bevorderlijk is. Als je daarentegen gewoon probeert transparant te zijn over de normen die je hanteert bij het samenstellen van een collectie en de nauwkeurigheid ervan, dan is er misschien een manier om dit belangrijke punt te behouden: dat we instellingen nodig hebben met gezag en onafhankelijkheid om te beoordelen welk materiaal het bewaren waard is, welke informatie nauwkeuriger is en welke minder.’
HET RECHT OP BETROUWBARE INFORMATIE
IN HET ALGORITMISCHE TIJDPERK
In de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw evolueerde het begrip ‘vrijheid van meningsuiting’ zodanig dat het niet langer uitsluitend ging over de absolute vrijheid van media en individuen, maar ook over het recht van het publiek op betrouwbare informatie. Hoe kunnen informatieprofessionals dit recht verdedigen wanneer de dominante, commerciële informatie-infrastructuur erop is gericht sensationele onwaarheden te belonen en te verspreiden?
‘Het is het grootste probleem op het gebied van vrijheid van meningsuiting van onze tijd, en tevens het meest urgente. We moeten het op drie verschillende niveaus aanpakken. Het eerste is het individuele niveau. Families en individuen moeten zich realiseren dat als je de echte waarheid over de wereld op een genuanceerde en diepgaande manier wilt kennen, je die niet zult vinden door je mobiele telefoon te openen en er urenlang op te scrollen. Ze moeten ervan doordrongen zijn dat sociale media manipulatief zijn en worden aangestuurd door winstmotieven. En dat er andere, betrouwbaardere bronnen van nieuws of bewijs bestaan.
Het tweede niveau is dat we als samenleving enorme druk moeten uitoefenen op socialemediabedrijven om verantwoordelijkheid te nemen voor hun macht. Dat gebeurt, langzaam maar zeker, overal ter wereld. Mensen worden zich er bijvoorbeeld van bewust dat sociale media niet geschikt zijn voor kinderen. In veel landen worden er beperkingen opgelegd aan het gebruik ervan door minderjarigen.
Het derde niveau is dat regeringen dit moeten aanpakken. Ze moeten moediger zijn en verantwoordelijkheid nemen door te zeggen dat er gevaren in schuilen wanneer te veel macht in particuliere handen terechtkomt. Regeringen hebben dat altijd gedaan met kranten en omroepen. Vanwege de enorme economische belangen die op het spel staan en de politiek en de Amerikaanse spanningen aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, hebben ze moeite om dit ook te doen met socialemediabedrijven. Hetzelfde probleem doet zich nu voor bij kunstmatige intelligentie. Overheden willen gewoon heel winstgevende bedrijven verwelkomen en hen toestaan te doen wat ze willen, omdat dat volgens hen banen en welvaart zal opleveren. Ze moeten echter sneller inzien waar ze moeten reguleren.’
SLIMME EUROPESE WETGEVING
‘De Europese wetgeving is heel slim, omdat ze de voor de hand liggende valkuil vermijdt om deze macht aan regeringen over te laten. Je wilt de macht niet rechtstreeks aan regeringen of politici geven om te beslissen wat er wel en niet in de publieke ruimte mag worden gezegd. Je moet dit op een manier doen die zo min mogelijk politiseert en zo breed mogelijk wordt gedragen. De Europese wetgeving zegt simpelweg tegen al deze platforms: “Jullie zeggen dat jullie normen hebben over wat er wel en niet gepubliceerd mag worden op Instagram, Facebook of wat dan ook. Het enige wat je hoeft te doen is ons vertellen wat die normen zijn en ons vervolgens laten zien dat je ze eerlijk en gelijkwaardig toepast, zonder oneerlijke censuur.” En natuurlijk, omdat ze allemaal op basis van algoritmes werken, hechten ze daar niet per se belang aan. Maar dat zouden ze wel moeten doen.’
LESSEN TREKKEN UIT
HISTORISCHE MEDIA-EXPLOSIES
Het moderne debat over persvrijheid ontstond rond 1700 als gevolg van de ontwrichtende invloed van nieuwe media. De intrekking van de wetgeving inzake preventieve censuur (de Licensing Act) in Engeland in 1695 leidde tot een enorme explosie van ongereguleerd drukwerk. Welke lessen kunnen we trekken uit de manier waarop de samenleving rond 1700 reageerde op de plotselinge overvloed aan ongefilterd drukwerk?
‘Er zijn veel overeenkomsten tussen de mediarevolutie van de achttiende eeuw en die van vandaag. Niet in de laatste plaats omdat veel veranderingen worden aangestuurd door marktkrachten en het streven naar winst. Maar het echte probleem voor allerlei soorten informatieprofessionals in onze digitale wereld is eigenlijk heel anders: het gaat om het verval en de snelheid waarmee digitale publicaties veranderen, en hoe we die kunnen bewaren. Iets wat op papier is gedrukt, heeft een opmerkelijk lang leven omdat het niet vergaat. Mensen die in archieven werken, weten dat men in de negentiende eeuw op verschillende manieren, op goedkopere manieren, papier begon te maken. Dat papier gaat veel minder lang mee, en het zorgt voor een probleem op de lange termijn omdat het zuur bevat en uiteindelijk gewoon vanzelf vergaat.
Ik denk dat we ons nu in een situatie bevinden waarin alles wat digitaal wordt geproduceerd heel snel in verval raakt. Dat geldt ook voor ons vermogen om het te kunnen lezen. Ik heb nu al geen toegang meer tot de allereerste e-mails die ik vroeger zorgvuldig op mijn computer had opgeslagen, omdat de besturingssystemen, de software en de hardware zijn veranderd. Dat probleem wordt alleen maar erger omdat systemen steeds sneller worden bijgewerkt en verouderd raken. Het idee dat iets gedigitaliseerd is en daarom voor altijd bestaat is volkomen onjuist. Het is juist het tegenovergestelde.’
INCLUSIE, UITSLUITING
EN GESCHIEDENIS IN ONZE COLLECTIES
De historische vrijheid van meningsuiting was in de praktijk vaak sterk geracialiseerd en patriarchaal: vrouwen, minderheden en gekoloniseerde volkeren werden systematisch uitgesloten van de publieke ruimte en het recht om gehoord te worden. Welk advies heb je voor archivarissen en informatiemanagers bij het in de context plaatsen van deze klassieke maar moreel complexe historische bronnen voor het grote publiek?
‘Ze doen het al fantastisch. Alleen al het besef dat het belangrijk is om dingen te beschrijven op een manier die past bij het heden is een goed uitgangspunt. En dan is de tweede stap: hoe bepalen we wat gepast is en wat niet, en wie moeten we daarvoor raadplegen? Dat kan niet één persoon in een kantoor beslissen. Er zijn momenteel veel mooie voorbeelden in Nederland van mensen die hun verantwoordelijkheid hierin serieus nemen. Er is een commissie die zich bezighoudt met de repatriëring van materiaal uit musea naar andere delen van de wereld. En die met mensen in die delen van de wereld in gesprek gaan over wat gepast is en wat niet.
Bij het catalogiseren van teksten en andere voorwerpen moet je je bezighouden met beschrijvingskwesties. Je kunt de tekst uit het verleden niet veranderen. Je kunt de voorwerpen niet veranderen. Het enige wat je kunt doen is proberen ze voor het heden te beschrijven op manieren die passend zijn voor het heden, maar die het verleden laten bestaan en de voorwerpen uit het verleden hun eigen integriteit laten behouden.’
Pogingen om gemarginaliseerde groepen een stem te geven of om beledigende terminologie in archieven aan te passen worden soms afgeschilderd als een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting of als ‘cancelcultuur’. Hoe helpt jouw historische analyse ons om dit conflict beter te begrijpen?
‘Ten eerste is taalpolitiek altijd al omstreden geweest en dat zal altijd zo blijven. Ten tweede vindt niemand het leuk om te horen dat hij zijn mond moet houden. Dat is voor ons allemaal een zeer diepgaande psychologische trigger. Aan de andere kant bestaan er overal regels over taal. Wat je wel en niet mag zeggen is een voortdurend omstreden kwestie. In ons normale sociale leven kunnen we daar prima mee omgaan. Als je met je vrienden in een café zit, praat je heel anders. Je maakt misschien grappen die je op je werk niet zou maken. De moeilijkheid ontstaat als je probeert normen te creëren die voor zeer grote groepen gelden. Dan voelen mensen zich niet per se betrokken bij het besluitvormingsproces.
De vraag waar je het over had is: hoe kunnen we in onze samenleving recht doen aan het ideaal waar we het ongetwijfeld allemaal over eens zijn: namelijk dat elke burger, elke inwoner, een gelijke stem heeft. We moeten luisteren naar mensen die zich gemarginaliseerd voelen, die daadwerkelijk gemarginaliseerd zijn, en begrijpen dat we onze taal misschien moeten veranderen als het gaat om de manier waarop we hen beschrijven, hoe we tegen hen spreken en hoe we met hen omgaan.’
WOORDEN ALS HANDELINGEN,
DE GRENZEN VAN CURATIE
Een centraal en gedurfd standpunt in je werk is dat we het onderscheid tussen woorden en handelingen moeten loslaten. Als we woorden beschouwen als handelingen die daadwerkelijk schade kunnen aanrichten, welke verantwoordelijkheid dragen informatieprofessionals dan bij het samenstellen van collecties?
‘Dat is enigszins te simplistisch. Woorden zijn een specifieke vorm van handelen. Ze zijn vluchtig, voornamelijk triviaal, maar ze bestaan wel degelijk om effect te sorteren in de wereld. Daarom spreken we met andere mensen. Dat is zelfs de reden waarom we tegen onszelf praten onder de douche. Zelfs als er geen publiek is, zijn woorden bedoeld om effect te hebben in de wereld.
We moeten uitgaan van het principe van maximale vrijheid. Maar in bepaalde, beperkte omstandigheden is het ongetwijfeld zo dat communicatie schadelijk kan zijn voor het algemeen belang of voor individuen. Het probleem ligt niet in het feit dat één persoon iets tegen een ander persoon zegt. Het is de versterking ervan onder het publiek op grote schaal. Als iedereen gaat geloven dat je een pedofiel bent omdat je buurman deze leugens over je verspreidt, dan kan dat je leven verpesten.
We hebben wetten, voorschriften en normen nodig om dat te voorkomen en te bestraffen als het toch gebeurt. Ook het algemeen belang kan schade ondervinden, bijvoorbeeld door de verspreiding van verkeerde informatie over ernstige zaken. Door de geschiedenis heen waren mensen zich er terdege van bewust dat er pogroms, rellen en bloedvergieten kunnen plaatsvinden wanneer je bijvoorbeeld verkeerde informatie verspreidt over etnische groepen of de idee dat joden christelijke kinderen vermoorden.’
VERKEERDE INFORMATIE VAN VIJANDIGE STATEN
‘Hetzelfde geldt voor het toestaan dat vijandige staten verkeerde informatie onder de bevolking verspreiden zoals de Russen dat op dit moment continu doen. We moeten systemen hebben om dit te voorkomen. Als we naar historische voorbeelden kijken, zijn we het er allemaal over eens dat er in het publieke debat geen plaats is voor fanatiek antisemitisme. Natuurlijk kan deze kwestie gepolitiseerd worden als het gaat om actuele politieke gebeurtenissen, maar laten we ons beperken tot de geschiedenis. Een ander goed voorbeeld zijn beelden van tot slaaf gemaakte mensen. Vooral als het gaat om foto’s van echte personen die zonder hun toestemming zijn gemaakt. Moeten deze worden tentoongesteld? Moeten deze zelfs online makkelijk toegankelijk zijn voor het publiek?
Informatieprofessionals zijn de meest aangewezen personen om met zulke vragen om te gaan omdat ze experts zijn in deze kwesties. Zij werken binnen een gemeenschap waarin zij deze zaken kunnen bespreken. En zij zijn, hoop ik, betrokken bij de veranderende samenlevingen en sociale normen rondom deze zaken. Dat zijn allemaal factoren die meespelen bij het nemen van beslissingen. En dat is geen censuur.’ <
Voor tabel
---------------------------------------------------------------
---------------------------------------------------------------
---------------------------------------------------------------
---------------------------------------------------------------
Bron: Faramerz Dabhoiwala, What is Free Speech? The History of a Dangerous Idea (2025) & The real history of free speech (Financial Times, 2025). Visualisatie ontworpen als infographic voor informatieprofessionals.
Gebaseerd op de historische en filosofische analyses van Faramerz Dabhoiwala (2025)
Twee tegengestelde modellen
van vrije meningsuiting
IP | vakblad voor informatieprofessionals | 07 / 2026